Propulsare

Net als kersverse opa mijn koffie met beschuit, inclusief gekleurde muisjes op, mijn kleinkind in mijn armen. Ik kijk trots en gelukkig om me heen. Ik probeer te voorkomen, dat de muisjes op de pasgeborene vallen. Ik zie rond het kraambed mijn kinderen, vijf, schoonzoon en schoondochter, vrouw en nu zelfs compleet met een kleinkind. Een mooi beeld, ik ben een gelukkig mens.

Ik probeer mij voor te stellen wat ik zou ervaren als ik mijn kinderen zou negeren, dat ik mijn kind ontmoet en niet begroet, bijna aan kan raken maar niet wil vasthouden, Alleen maar kwaad spreek, of nog liever dood zou willen zwijgen. Zoals ik soms in die bladen bij de kapper lees. Of zoals dat bij het Familiediner van de EO op televisie gebeurt. Dat alleen mijn kleinkind, dat nu rustig in mijn armen slaapt, nog aandacht van mij krijgt. Ik probeer me voor te stellen dat mijn eigen kinderen elkaar niet meer zouden willen zien. Elkaar in elkaars dichte bijzijn elkander niet meer willen kennen.

Ik probeer me voor te stellen hoe het zou voelen wanneer ik mijn geliefden slechts op social media bekijk en kan aankijken, op een website of zoiets. Zou ik via een VPN anoniem gaan kijken? Of tijdens een nachtdienst, omdat ik de pijn wil voelen, mijn pijn wil voelen? Hoe vaak zou ik een wachtwoord proberen? Hoe vaak zou ik een poging tot hersteld contact, bijvoorbeeld bemiddeling, afwijzen? Zou mijn trots en koppigheid mij gevangen houden?

Zou ik nog aan de vakanties die wij samen hadden kunnen terugdenken, en hoe? Zou ik me bezatten bij het bierlokaal Antonius in de stad en hiermee opgezet meelij wekken bij mijn vrienden? Ik vraag me trouwens af waarom ik een gewijzigde website met bekenden zou willen delen, wat zou dit met mij doen? Hoe zou ik omgaan met verjaardagen van mijn verlatenen, zou ik aan hen denken, iets van me laten horen, of liever stilzwijgen? Of zou ik liever vluchten? Zou ik vluchten voor mijn schuldgevoel: op vakantie naar streken, zoals de Bijbelbelt, die het best met schuld en vooral boete om kunnen gaan? Wat zou ik doen met preken in de kerk over vergeving, wat zou ik bidden?

Welke verbittering zou het best bij mij passen? Zou het voor mij voldoende zijn mijn geliefden op afstand te observeren? Zou ik me dan ’s avonds – terwijl ik mezelf tijdens het tandenpoetsen in de spiegel aankijk – wel aan kunnen kijken, zou ik mij tevreden over zo’n situatie kunnen voelen, zou ik me om mijn wangedrag schamen, zou ik het gemis kunnen voelen? Wat zou ik voelen? Zou ik wel kunnen voelen?

Nee, nee, nee! Ik ben bang, dat ik me zelf niet meer in de spiegel zou kunnen aankijken, ik zou me kapot schamen. Ik zou mezelf niet meer willen zien. Ik zou zo niet kunnen leven! Ik wil dichtbij, niet alleen maar langslopen. Ik zou willen kunnen ruiken, kunnen luisteren, aanraken, omhelzen, warmte kunnen voelen.

Ik kan het me allemaal gewoon niet bedenken, gelukkig kan ik dat niet. Het zijn te bizarre gedachtes, die te veel emotie bij mij oproepen. Ik probeer die idiote gedachtes los te laten. De bijna verstikkende brok in mijn keel en mijn tranen die het fraaie om mij heen bijna onzichtbaar maken, verdring ik. Zij lossen pas echt op door de voorzichtige klanken van mijn kleinkind in mijn veilige armen en door mijn blik op het gave koppie dat voorzichtig de ogen naar de wereld opent. De volgende afspraak is al weer gemaakt. We gaan elkaar snel weer zien. We willen en zullen niets van elkaar missen. 

Nooit! Nooit! Nooit!

Wat is ons leven, ondanks en door het andere alles, en dat zijn dan geen verwarde gedachten, mooi. Wat zijn wij door dat het sneue gedoe van anderen extra van elkaar gaan houden. Uitdagingen hebben ons sterker en mooier gemaakt. Wij bestaan voor sommigen niet meer, en zij – als manier om verder te komen – niet meer voor ons. En wij, wij zijn nog dichter bij elkaar gebracht.

Er was en is zo veel inspiratie, aanleiding voor een boek.

Ik schrijf de eerste woorden op, woorden van een jaar geleden, en nog van veel langer terug, en ook nieuwe woorden van gisteren en vandaag. Als naklanken van harde, meeslepende drumsolo’s dreunen de beelden nog in mijn hoofd. Nieuwe letters exposeren, dat ik vooral onbezorgd geniet. Ik vertel mijn verhaal over hen die niet bestaan, die ik niet ken, buiten mijn verhaal niet wil kennen. Het gaat een boek of roman worden, Geen Verweer of Familia Permixtos. Alsnog in het enkelvoud.